Bavo Claes
Vijftig


11/06/2015

Jos Borré

★★★★☆

Op het eerste gezicht houdt een onherkenbare Bavo Claes zijn lezers een ontluisterende spiegel voor over hoe mannen met vrouwen omgaan en hoe huwelijken verschalen en hoe zielig het is om ouder te worden. Bloedige ernst of droge humor? Of beide tegelijk?


Rots van onverzettelijkheid

Mannen zijn stuk voor stuk onverbeterlijke erotomanen, en als ze een beetje op leeftijd raken tonen ze zich daarin afstotelijk zielig. Dat wil Bavo Claes schijnbaar aantonen in zijn nieuwe roman 'Vijftig'. Achttien jaar (na het verschijnen van zijn debuut, 'Kraai' - 1997) nam hij de tijd om dit voor zijn lezers, voor mannen en vrouwen elk in hun eigen ervaringswereld, op bijna vijfhonderd extra large bladzijden te expliciteren. Eerste, ietwat verbijsterde reactie van die lezers: is dit waar die rustige, beheerste nieuwslezer van vroeger zich na zijn pensioen mee beziggehouden heeft? Die rots van degelijkheid en onverzettelijkheid die nooit méér van zichzelf blootgaf dan door bij het einde van het nieuws één mondhoek tot een afscheidsglimlach op te trekken? Neemt die zelfde beschaafde, fijne heer nu zonder verpinken deze overvloed aan drieletterwoorden in de mond? Of nog prangender: heeft hij het hier over zichzelf misschien? Ach nee. Kijk eens goed: hij draagt als schrijver een masker, en hij speelt een heel dubbelzinnig spel, en je denkt wel hem te zien, maar in zijn subtiliteit vermomd als smakeloosheid is hij dan alweer weg, hij is je gewoon te vlug af. Now you see him, now you don't.

Grote tournure

'Vijftig' gaat officieel over enkele mensen, en twee mannen in het bijzonder, die vijftig worden in 2000 en bij die gelegenheid hun grote tournure doormaken. Vincent Velings is presentator. Lang geleden is zijn vrouw omgekomen in een ongeval. Sindsdien loopt hij aan bij een resem vriendinnen, en met dank aan zijn uitstraling als televisiepersoonlijkheid voegt hij graag nog trofeeën toe aan zijn toch al lange lijst. Maar als hij in de loop van zijn jaar in de kering een dweepzieke scholiere van zeventien in zijn netten aantreft, beseft hij toch dat hij zich te ver waagt.

Journalist Jan Cleyman is getrouwd met Jo (van Johanna), hij weet zich mislukt en impotent, en hij koopt ter compensatie een 'zwijnroze' oude Cadillac. Hij is zo al de risee van zijn collega's, nu maakt hij zich openbaar onbeschrijflijk belachelijk. Bovendien torst hij een obsessie voor vrouwenborsten, en koestert hij een verzameling plaatjes die de 'Fenomenale Feminatheek' van Louis Paul Boon naar de kroon steekt. (Waarschuwing: de ene keer laat hij zich wat lyrischer uit over borsten dan de andere keer, maar het is zeer de vraag of vrouwen, als ze dit lezen, zich wel geflatteerd zullen voelen door zijn zienswijze.)

Om het ongenoegen van zijn vrouw te ontlopen, suggereert hij dat ze best eens vreemd kan gaan. Maar daarmee zet hij alle betrokkenen op weg naar een fataal drama.

De vanzelfsprekende grofheid van mannen

Het komt allemaal erg direct op de lezer af, zo direct dat je er haast bij vergeet goed te kijken. Dat Vincent Velings als presentator weinig subtiel opzijgeschoven wordt voor een ambitieuze, veelbelovende jonge kracht, en dat 'hogerop' dit verantwoordt op grond van kijkersonderzoek en marketingstrategieën, zal wel Claes' afrekening met zijn eigen degradatie zijn, denk je geredelijk. Maar op een gelijkaardige manier haalt hij het jargon gebezigd in onderzoeks- en trainingssessies over de hekel, en het katholicisme, en nog zo wat verbale misleidingen en verdraaiingen van de werkelijkheid, om uit te komen bij wat een personage bij een onwillig danspartijtje zelfbeschouwelijk "weerzinwekkend oud worden" noemt. Is het hem niet om dat alles samen te doen, misschien, een soort grote mentale opruiming, een dubbelzinnige vervelling, waarbij hij de ballast van kouwe drukte en kale kak van zich afwerpt?

Niet toevallig bedient Claes zich van een alwetende verteller, die zich situeert bezijden 'de goden' die het leven bestieren ("De goden die over de liefde gaan, de geslachtelijke of de waarachtige, lachen wat af daarboven!"), zo kan hij willekeurig van het ene personage naar het andere overstappen om het te laten zeggen wat hij wenst en zich daar achter te verschuilen. Maar soms is een uitspraak ("De vanzelfsprekende grofheid van mannen") niet aan een personage toe te schrijven. Ik zie de schrijver Bavo Claes met grote zorg laboreren aan perfect geformuleerde, aerodynamisch lopende zinnen, maar al doende zich weloverwogen apart van zijn verteller positioneren, vervuld van binnenpret en monkelend genoegen om zijn van misleiding bol staand professionalisme.

Paskwil

Want ja, dit is een geduldige, uitputtende, genadeloze, vlijmscherpe dissectie van een (het?) huwelijk. Dit is een opsomming van ontluisterende manifestaties van het ouder worden, een caleidoscoop van teloorgang en aftakeling en verlies. En de verteller wil zich daarover best wel eens laconiek uitlaten, en soms ironisch, en soms houdt hij zijn cynisme en zelfs sarcasme nauwelijks in toom (een voorraad Bijbels blijft in de boekhandel liggen: "zelden in de boekentoptien en weinig op tv, zoiets krijg je niet verkocht"). Maar in de eerste plaats is dit een paskwil, een grijnzende spotternij. Gewoon door aanhoudend het kleine en het kleinmenselijke te beschrijven, door de dagelijkse bekommernissen en besognes en probleempjes en gevoeligheden in beeld te brengen, mondt dit relaas uit in een soms bijtende, soms meewarige satire. Het zet een benepen, kleinburgerlijke levenswijze te kijk in een spiegel, zodat de clichés opvallen, de zelfbegoocheling, de misvattingen, de scheefgetrokken of verwrongen emoties. Alles wordt zo uitvergroot, zoals in een lachspiegel. Zegt de verteller als commentaar bij een seksistische uitspraak van een van de personages: "Niemand die kan inschatten of het om droge humor of om bloedige ernst gaat." Exact. En de schrijver ziet hoe hij de lezer op het verkeerde been zet en om de tuin leidt, en hij vermaakt er zich mee.

Gedempte hoon

Lang vraag je je af wanneer in dit parallel lopend relaas van het leven van twee mannen die elkaar niet kennen het "arrangement" zich zal openbaren, het gewiekste spel met situaties en omstandigheden waar 'Kraai' onder meer zo door uitblonk. Zelfs de minst opvallende verhaalelementen kregen vroeg of laat een exponentieel belangrijke functie en Claes bracht ze verbluffend samen in een eclatante finale. Dat doet hij, finaal, deze keer ook, en daarbij weet hij de ontwikkelingen weer zo handig te bespelen dat hij het drama zelf tegelijk als in-tragisch en vol-hilarisch kan presenteren.

Schilderde Claes tot aan deze afloop min of meer spottend een fresco van deze tijd, een brede zedenstudie van het leven in een klein West-Europees land bij de overgang naar het derde millennium, in deze finale onderken ik een gedempte hoon tegenover de existentie in haar geheel. Bij gelegenheid "denkt Jan Cleyman in de derde persoon over zichzelf", en overweegt hij: "Niets is er ooit van gekomen bij Jan Cleyman", hij is "vervuld met een verpletterend besef van nietswaardigheid" en zich zeer bewust van zijn "hunkerstoornis". Wie weet slaat die gedempte hoon niet op de existentie in haar geheel, maar op de povere existentie van de mens (of alleen de man?) in het bijzonder, die maar is wat hij is, een benepen, beklagenswaardig wezen, onontkoombaar onderworpen aan een verzameling existentiële natuurwetten.

Vertelkunst

Je merkt aan deze roman dat er lang aan geschreven is: er zit niets van haast in deze schriftuur. De auteur neemt rustig zijn tijd om alles uitvoerig en bedachtzaam onder woorden te brengen. Lange relazen van één gebeurtenis mogen van hem best hun volle beslag krijgen; hier talmt hij wat, daar heeft hij tijd voor een overbodig mopje. Door zijn fraaie formuleringen en zijn verrassende directheid neemt hij de lezer onvermoeibaar en met volle belangstelling mee op de golfslag van zijn onmiskenbare vertelkunst. En zo laat die lezer zich gewillig meevoeren in een verhaal dat zich geredelijk nog het gemakkelijkst laat lezen als een hilarische farce. En zie dan, daar: verborgen in de coulissen van zijn roman staat de schrijver, zowel de opvoering van zijn verteller als zijn publiek observerend, met een opgetrokken mondhoek toe te kijken. Het grootste genoegen is geheel aan hem, als die toeschouwer verbouwereerd meent dat hij naar zijn eigen leven zit te kijken. Als Bavo Claes zich al eens vertoont, laat hij een sater met twee gezichten zien.

Jos Borré