Middagjournaal
vrijdag 24.03.2017
PLEIDOOI VOOR EEN COMITÉ R

Of ik goed tegen kritiek kan, vroeg een vrouw me op een literair evenement waar ik te gast was. Uit tijdnood kon ik toen niet antwoorden, dus laat ik dat nu maar 'ns doen.
Twee romans heb ik tot dusver gepubliceerd en omdat valse bescheidenheid op mijn leeftijd 'n tikje belachelijk wordt, vertel ik u naar waarheid dat ze allebei veel lof gekregen hebben, van gewone lezers en van recensenten.
Een lezer die enthousiast is over een boek, het is altijd een soort van wonder, want het betekent dat de tekst in zijn hoofd precies zo klinkt, als hij klonk in het hoofd van de auteur toen hij hem schreef. En soms, helaas pindakaas, voltrekt dat wonder zich niet, en als die lezer dan toevallig recensent is heeft de schrijver pech.
In eerste instantie reageer ik daarop als een moeder die in de kraamkliniek een ongenode gast heeft: hij bekijkt de baby maar half en gaat dan op de gang staan roepen dat het een gedrocht is. Die moeder denkt: rotzak! en op de bezoeker rust haar eeuwige, rauwe haat.
Later bindt de auteur wel wat in, hij beseft dat smaken verschillen en wil de criticus zelfs zijn onbegrip vergeven - tenzij het om een van déze twee typen gaat.
Type één is de recensent-hufter. Hij schrijft zijn stuk zoals een twitteraar bagger braakt: zo beledigend mogelijk, niet met het boek bezig maar met zichzelf, kirrend van zelfvoldaanheid over de eigen ongein. Eén schreeuw om aandacht. Welke schreeuw klinkt als het keffen van een hese pekinees. Waar moet zo'n jongen straks op zijn sterfbed trots op zijn?
Een tweede soort bespreker dat een pak slaag verdient is de recensent-beunhaas. Leest het boek slordig, terwijl hij bezig is een ei te bakken of een theemuts te breien, en schrijft er dan over zoals Trump over de wereld praat (België is een mooie stad, weet u wel). De criticus die, glimmend van eigendunk, flaters slaat. Is dat onkunde, luiheid, een te hoge werklast?
Ik pleit voor een comité R, dat naar het voorbeeld van het comité P voor de politie, de kwaliteit van het recensiewezen bewaakt.
De paar negatieve kritieken over mijn boeken bevatten vrijwel altijd minstens één blunder, en vaak méér dan één. Waardoor zo'n beoordelaar al met al toch 'n beetje voor zich uit staat te schreeuwen met zijn broek op zijn schoenen. En daarin mag ik dan graag het bewijs zien dat er een rechtvaardige God bestaat.