16/10/97

Ontwijkingsmanoeuvres

Bavo Claes. 'Kraai'

ROMAN

Pas als je het boek opnieuw leest merk je hoe vanaf de eerste zin alles op zijn plaats staat. "Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw." Daar is het weloverwogen 'paffe' om de stilte te benoemen, natuurlijk. Daarover straks meer. Er is de schreeuw waarmee het boek begint, die straks een echo krijgt als de 'ik' niet op ziekenbezoek gaat maar de deur van de afdeling zelf achter zich in het slot hoort vallen. Maar ook het Mariabeeld staat er nadrukkelijk, in de weg zelfs. Hij moet er omheen lopen, elke keer opnieuw, ongeveer zoals hij met min of meer overtuiging drie vrouwen in zijn leven poogt te ontwijken.
      Nieuwslezer Bavo Claes (°1949) debuteert als auteur met een roman over een bekende nieuwslezer. Een paar keer in het verhaal wordt hij door hem wildvreemde mensen herkend (terwijl deze passages eigenlijk geen uitstaans hebben met het verhaal - of toch wel) en daar reageert hij verveeld op. Het gegeven prikkelt de nieuwsgierigheid naar wat in het boek waar is en wat niet. Persoonlijk, maar ook bijvoorbeeld in wat hij vertelt over de verwerking door het televisienieuws van items als de Falklandoorlog en de ramp in Tsjernobyl. In interviews die vorige week al zijn verschenen heeft Claes telkens al de antwoorden daarop ontweken. Hij toont zich wel, maar hij zet ook handig een masker op als hij (pas op het einde van het boek) de 'ik' in zijn schrijverssituatie situeert.
      Het is een klassiek gegeven: de man zit in een instelling en heeft als een vorm van therapie het verhaal uitgeschreven van wat hem daar gebracht heeft. Het is ook bedoeld als een biecht aan zijn vrouw - een compensatie voor het misschien opluchtende gesprek dat hij altijd heeft uitgesteld - maar zij begeeft er zich niet aan. Een collega van de redactie die de tekst onvoorzien onder ogen krijgt, laat horen "dat het hem wel wat lijkt", maar met het oog op een mogelijke publicatie wil de 'ik' dan toch eerst "namen veranderen en situaties verdraaien". Met andere woorden: wat je leest is gelogen, het is niet wat je had willen weten. Bavo Claes wil niet herkend worden.
      Over leugens en halve waarheden gaat het trouwens, over bedrog en misleiding, over tribulaties bij het ontwijken van de waarheid. De nieuwslezer bezoekt tien maanden lang zijn vader in het ziekenhuis en vertelt hem niet dat hij kanker heeft. Op een avond belandt hij in een café met een verpleegster die hem erg aanspreekt, maar dat zal hij thuis later wel eens expliceren.

Wat moet je als reporter met het nieuws dat in de Falklandoorlog de Argentijnse Belgrano met bijna driehonderd man aan boord werd gekelderd terwijl het schip, in tegenstelling tot wat de Britten beweerden, al urenlang uit de oorlogszone was weggestoomd ? Wat vertel je thuis als je kort na de explosie in Tsjernobyl eerst hebt opgebeld om te zeggen dat het deksel dringend op de zandbak moet en dat zoonlief het best binnen speelt, en dan voor de camera beweert dat er geen gevaar is ?
      In de ziekenhuiskamer kruisen waarheid en leugen elkaar, het nieuwsfeit en de persoonlijke ervaring ervan (heeft iemand gehoord hoe de driehonderd matrozen om hun moeder riepen?), de doorlopende actualiteit komt er dwars in aanvaring met het aflopende leven, waaraan ze niet meer besteed is.
      Het grootste verkeerd beoordeelde ontwijkingsmanoeuvre begaat echter de ik-persoon zelf als hij na de dood van zijn vader niet terdege beseft wat er met hem gebeurt. Hij vertoont duidelijke hypochondrische neigingen, is beducht voor aanwijzingen van naderend medisch onheil, denkt dat hij dezelfde kanker heeft als zijn vader. Hij verliest de greep op zijn denken en doen, wordt wegens stuntelen van het scherm gehaald en op de documentatiedienst onschadelijk gemaakt. Hij valt eigenlijk uiteen. Het alarm gaat pas af als hij na een vroege wandeling in het park zeiknat in zijn onderbroek met een gans die hij om haar eigen heil de nek heeft omgewrongen voor de deur staat.
      Hij wordt opgenomen en dan kan, in een gedwongen confrontatie met zichzelf, het onderzoek beginnen naar wat er werkelijk scheefgegroeid is, naar wat hij ontkend heeft of niet onder ogen willen zien. Zijn boek maakt niet alles duidelijk, het reconstrueert een aantal gegevens tot een sluitend geheel, maar het leidt er dan toch toe dat de 'ik' na afloop besluit zich eindelijk bijeen te rapen, zichzelf en zijn verleden 'in te binden', zoals hij het van zijn vader geleerd heeft.
      Vader is inderdaad drukker geweest en op het eerste gezicht is dit boek, zeker in het eerste deel, een soort eerbetoon aan de vader, aan zijn professionele nijdigheid, zijn vaardigheid, zijn beroepseer, alles natuurlijk in scherp contrast met de maandenlange pijnlijke aftakeling. In het tweede deel, dat zich meer dan vier jaar later afspeelt, gaat het meer om de groeiende depressie van de hoofdpersoon. De herinneringen aan de jeugd staan over de twee periodes gespannen. Maar lijkt het eerst alsof ze door willekeurige associaties opgeroepen worden,

er blijkt een ingenieus patroon in te zitten dat zich richt op de climax van het boek, een zeer fraai in slow motion geënsceneerde, poëtische maar haast geluidloos dramatisch aflopende ontmoeting met de verpleegster in een opslagruimte. Dan wordt duidelijk dat dit 'vaderboek' heel de tijd ook een ingehouden schreeuw om het verlies van de moeder heeft bevat, die de ik als een primal scream ontsnapt op het ogenblik dat hij in de instelling de eerste stappen in een nieuw leven zet.

Zijn moeder is gestorven toen hij, twaalf jaar oud, in een zomerkamp zat. Zijn vader wilde die vakantie niet onderbreken, maar ondertussen werd de jongen gemolesteerd en telde hij de dagen af tot hij eindelijk naar huis terug kon - het slachtoffer van leugenachtig verzuim. De moeder is voor hem altijd een intimistische troosteres geweest, aan wie hij heel sensitieve, weemoedige herinneringen koestert. Een heel treffende is die waar hij met haar het lof bijwoont, geknield op de rieten zitting totdat de afdruk ervan in zijn vlees staat, luisterend naar de bezwerende litanie voor Maria. (Oude teksten, bijvoorbeeld in het archief van de drukkerij gevonden, over kanker, over abortus, zwerven trouwens bij vlagen door dit verhaal en blijken functioneel bij te dragen tot de thematische spanning.)
      Daar al vertoont de jongen onopvallende dwangneurotische trekjes, als hij zich gelijktijdigheid oplegt: exact op hetzelfde ogenblik als de priester knielen, "niet even daarna en zeker niet eerder, anders ga ik 's nachts dood in mijn slaap of wordt het oorlog". De notie van de gelijktijdigheid zit verborgen in de onaangekondigde, door associaties uitgelokte overgangen naar andere herinneringen, en ze doet alles door elkaar lopen als in de opslagkamer met de verpleegster, met de mis van Allerzielen op de achtergrond, de moeder en de minnares bij wie hij (letterlijk en in de bijbelse betekenis) neerknielt elkaar overlappen. Alle draden die eerder in het verhaal zijn gesponnen komen hier samen: de scène heeft te maken met anemonen, met broekventjes, roken, een zwarte bles, een wijnvlek in de lies en nog veel meer, en ze symboliseert, in een gesacraliseerd seksueel tafereel, een zuiveringsritueel, een terugkeer naar de moederschoot, naar een staat van onschuld - vóór de leugen. "Terug naar het gladde, soppige, kladderige water dat wegwast de onlust der wereld. (...) Naar het dompelbad dat voorgoed uitwist de modderkladden

van het verzwijgen en vernichelen en verneuken - liegen is lelijk."
      Het is allemaal niet nieuw natuurlijk, een therapeutische schrijverssituatie, een met diverse motieven zorgvuldig gecomponeerde roman, een freudiaanse seksuele thematiek. En er zitten een paar leegten in het boek. Gek dat er geen sprake is van enige persoonlijke emotionele betrokkenheid van de zoon bij het aftakelingsproces van de vader. En wat is er tussen 1982 en 1986 gebeurd? Komt het door Tsjernobyl dat de herinneringen zich dan pas weer zo opdringen? Maar Bavo Claes overtreft de imitatie met glans, hij trekt zich met een bijzondere retorische verve uit de slag, ik kan mij niet herinneren wanneer ik nog eens een zo kunstzinnig gecomponeerd boek heb gelezen.
      Het kwetsbaarst toont hij zich in het taalgebruik. Op het gevaar af te kapseizen door al te veel (soms bijbels) gewicht aan de woorden te geven, koos hij een wat archaïsch aandoend, in ambachtelijke zorg gekoesterd Nederlands. Met de zorgvuldigheid van de letterzetter reconstrueert hij de woorden in hun massieve loden betekenis. Opzettelijk haalt hij woorden als 'klinket' en 'lamfer' onder het stof vandaan. Nadrukkelijk verkiest hij 'asemen' te gebruiken en 'prakkiseren' en 'smotsig', en verder werkwoorden als 'smiespelen', 'knarpen', 'femelen', 'schobben', 'kokkeren', 'lubberen', 'stiefelen' en 'ruiselen'. Kraai is geschreven in een taal die erom vraagt geproefd en gesmaakt en niet te snel geconsumeerd te worden, het is een boek van een zeer gedegen textuur en samenhang die pas bij een tweede lectuur tot hun volle recht komen. Maar dan ook zeer overtuigend.

Jos Borré